afstammelinge

vrouwelijk (de)/ˈɑfstɑməˌlɪŋə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vrouwelijke bloedverwant in neerdalende lijn
    Zij was geen afstammelinge van de oudadellijke families en zelfs haar vrienden konden haar geen schoonheid noemen.
    Gedurende drie dagen waande ik me het middelpunt van de attenties van een maskerdat ik voor een afstammelinge van de Tullia's of de Poppaea's hield, terwijl ik domweg de speelbal van een contadina was, een boerenmeisje zeg maar.

Etymologie

*afleiding van afstammeling