afspoelen
/ˈɑfspulə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) een opgewonden draad of band van een klos afwentelenIk heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
- (ov) iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houdenIk heb de kopjes even afgespoeld.
- (erga) ~ van door stromend water van zijn plek gehaald wordenIk had dat niet opgeborgen en nu is het van het dek afgespoeld.
- tweede betekenisomschrijvingZin met het afspoelen in de tweede betekenis erin.
- enz.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek