afspoelen

/ˈɑfspulə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een opgewonden draad of band van een klos afwentelen
    Ik heb het hele garen afgespoeld en opnieuw opgewonden.
  2. ov (ov) iets oppervlakkig reinigen door het onder stromend water te houden
    Ik heb de kopjes even afgespoeld.
  3. erga (erga) ~ van door stromend water van zijn plek gehaald worden
    Ik had dat niet opgeborgen en nu is het van het dek afgespoeld.
  4. tweede betekenisomschrijving
    Zin met het afspoelen in de tweede betekenis erin.
  5. enz.