afspelen

/ˈɑfspelə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) opgenomen geluids- of beeldmateriaal opnieuw laten horen of zien
    Hij speelde een hele mooie CD voor ons af.
  2. ov (ov) tot het einde toe spelen
    Dat muziekstuk werd niet tot het einde toe afgespeeld.
  3. ov (ov) iets door veelvuldig bespelen bederven en onbruikbaar maken
    Die piano was door het vele gebruik helemaal afgespeeld.
  4. refl (refl) zich ~: gebeuren, plaatsvinden
    Dit verhaal speelde zich in de negentiende eeuw af.
    Het drama dat zich in Turkije had afgespeeld, was logischerwijze de basis van Jeroens ineenstorting.
    Hij haalde nonchalant zijn schouders op en concentreerde zich weer volledig op datgene wat zich op het veld afspeelde.

Vertalingen

Engelsplay, finish, wear out
Fransjouer, jouer jusqu'au bout, user
Duitsabspielen, abspielen, abspielen
Spaansponer, tocar, gastar