afsluiting

vrouwelijk (de)/ˈɑfslœytɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iets afsluiten
    Door de afsluiting kreeg hij geen stroom meer.
  2. beëindiging, einde
    Het Suikerfeest is de afsluiting van de ramadan.
    Het kwam hem ineens komisch voor dat hij zijn laatste frauduleuze handeling als directeur met eigen middelen had gefinancierd. Een waardige afsluiting. Overmorgen diende hij schriftelijk zijn ontslag in.
  3. een voorwerp dat ervoor zorgt dat iets afgesloten wordt
    De afsluiting op de deur werkte niet goed.

Etymologie

* van afsluiten

Vertalingen

DuitsSperre, Sperrung, Unterbrechung
Spaansbarrera, obstrucción