afschrijven

/ˈɑfsxrɛivə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) een afschrift maken, met de hand kopiëren
    Hij maakte een afschrijving van de polisvoorwaarden.
  2. ov, boekhouding (ov) (boekhouding) de veroudering van een bezit in termijnen in de boeken verwerken
    Na vijf jaar was de auto helemaal afgeschreven in de boekhouding.
  3. iemand niet meer belangrijk vinden, iets zonder waarde vinden
    Het duurde een hele tijd voordat de vrouw de onbetrouwbare man helemaal kon afschrijven, want liefde maakte blind.
    Na het grote ongeluk moest de auto helemaal worden afgeschreven, want de reparatie kost meer dan de auto waard is, de auto is total loss.
  4. bouwkunde (bouwkunde) lijnen op een werkstuk aanbrengen, waarlangs bewerkingen moeten worden gedaan
    De timmerman had enige moeite met het afschrijven van het ingewikkelde werkstuk.

Vertalingen

Spaansdescargar