afremmen
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (ov) de snelheid van iets doen verminderenHij remde de wagen af.
- (erga) minder vaart makenOptrekken en afremmen.De wagen remde af.
- (ov), (figuurlijk) verminderen; vertragenMedicijnen tegen een hoge bloeddruk of allergieën kunnen de lust afremmen.De te enthousiaste jongen moest door zijn ouders worden afgeremd.Dit ben ik niet, dit is de oude Bibi. De doortrapte advocate die over lijken ging om haar zin te krijgen. Ik zou haar kunnen afremmen, maar ik doe het niet.
- (refl) zich afremmen: de snelheid van zichzelf doen verminderenHeel voorzichtig nam ik drie stappen om te kijken of het toch mogelijk was om nieuwe treden in de sneeuw te maken, maar bij de vierde stap gleed ik uit en prikte nog net op tijd mijn wandelstok de sneeuw in om me af te remmen.
Vertalingen
Spaansrefrenar, enfrenar, frenar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek