afrekenen

/ˈɑfrekənə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) een aankoop of schuld betalen
    Ober, ik zou graag willen afrekenen.
    Uw man was daar en stond aan de kassa om een cadeau af te rekenen toen de tv-ploeg naar binnen liep en opnames maakte.
    Zou zij dezelfde leegte voelen die ik nu ook voelde? Ik gaf de telefoon terug aan de barman, rekende af en liet de rest van mijn lunch staan.
  2. ov (ov) iets of iemand genoegdoening geven voor geleverde diensten en aangedaan leed zodat men weer met een schone lei kan beginnen
    De boze man eiste volledig af te rekenen met het verleden
  3. iemand bestraffen op basis van een evaluatie
    Managers die worden beloond of afgerekend op het bedrijfsresultaat.

Uitdrukkingen

  • af te rekenen hebben met

Vertalingen

Engelspay
Fransrégler
Duitsbezahlen, zahlen
Spaanspagar
Italiaanspagare, saldare