afhaken

/ˈɑfhakə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga, inerg (erga), (inerg) niet langer met een proces meedoen
    Die leerling had al eerder af moeten haken.
    Ik herken ze, de mensen die afhaken. Het is niet mijn eerste keer dat iemand besluit de therapie stop te zetten. Maar deze keer voelt het anders. Het gevoel bekruipt me dat dit misschien wel mijn schuld is.Een onverkwikkelijk gevoel. Een klik hebben is niet iets wat je kunt afdwingen, maar die klik hadden we en toen is er iets misgegaan.