afgrijzen

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gevoel van ontzetting en afkeer
    Ik keek met afgrijzen naar het gebeurde ongeval.
    Zijn gezicht was een masker van afgrijzen.
    ' 'Waren er nog meer puppy's?' zegt Lot tegen Vincenzo, die haar vraag weer vertaalt voor de boer. Nadat de boer heeft geantwoord en Joy vol afgrijzen kijkt, zegt Vincenzo: 'Laten we maar zeggen dat ze er niet meer zijn.

Etymologie

*Afgeleid van het verouderde werkwoord afgrijzen (verg. griezelen)

Vertalingen

Engelshorror, dread
Spaanshorror