afgod

mannelijk (de)/'ɑfxɔt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een andere god dan de ene God; een "valse" god
    Gij zult geen afgoden vereren, maar Mij alleen aanbidden en boven alles beminnen.
  2. iemand of iets wat als een god vereerd wordt
    Zijn vrouw is zijn afgod.
    De beroemde voetballer is de afgod van veel kinderen.
    De auto is voor veel mannen hun afgod.

Etymologie

*van Oudnederlands: "afgot", dat mogelijk een leenvertaling van afguþs (goddeloos); op te vatten als samenstelling van af (bijwoord) en god (zelfstandig naamwoord); [http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=ONW&id=ID1442 Oudnederlands woordenboek]

Vertalingen

Engelsfalse god, idol
Fransdivinité
DuitsAbgott, Götze
Spaansídolo
Italiaansidolo