afgang
mannelijk (de)/ˈɑfxɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een schaamtevolle mislukking die gezichtsverlies veroorzaakt terwijl men er toch wel veel van verwacht hadDe leerling begon te stotteren omdat hij bang was dat zijn spreekbeurt een totale afgang zou worden.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek