afgaan
/ˈɑfxan/
Betekenis
werkwoord
- (erga) naar beneden gaanhij ging de trap af
- (erga) afgeschoten worden, in werking gebracht wordenhet geweer ging afde wekker ging afChantal hoorde een serie alarmbellen in haar hoofd afgaan.
- (erga) een slechte indruk nalatenhij ging af als een gieter
- (erga) ~ op zich baseren opik zou er maar niet te veel op afgaan
- (erga) naar iets toegaan, bezoekenhij ging op hem afvrienden en kennissen afgaan
- (erga) van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaanhij ging van school af
- (erga) verminderen, verzwakken, afnemende koorts gaat af
- (erga) stoelgang hebben, ontlasting hebben
- (erga) lukken, bedreven zijnNederlands spreken gaat hem goed af, maar het schrijven is wat minder.Iets wat haar slecht afging, aangezien ze al vijfendertig jaar was getrouwd met een man die ze verafgoodde.
Vertalingen
Engelsgo down, go off, lose one's face
Fransdescendre, partir, chuter
Duitshinuntergehen, abgehen, sich blamieren
Spaansbajar, descender, dispararse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek