afgaan

/ˈɑfxan/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) naar beneden gaan
    hij ging de trap af
  2. erga (erga) afgeschoten worden, in werking gebracht worden
    het geweer ging af
    de wekker ging af
    Chantal hoorde een serie alarmbellen in haar hoofd afgaan.
  3. erga (erga) een slechte indruk nalaten
    hij ging af als een gieter
  4. erga (erga) ~ op zich baseren op
    ik zou er maar niet te veel op afgaan
  5. erga (erga) naar iets toegaan, bezoeken
    hij ging op hem af
    vrienden en kennissen afgaan
  6. erga (erga) van iets vandaan gaan, verlaten, zich verwijderen, weggaan
    hij ging van school af
  7. erga (erga) verminderen, verzwakken, afnemen
    de koorts gaat af
  8. erga (erga) stoelgang hebben, ontlasting hebben
  9. erga (erga) lukken, bedreven zijn
    Nederlands spreken gaat hem goed af, maar het schrijven is wat minder.
    Iets wat haar slecht afging, aangezien ze al vijfendertig jaar was getrouwd met een man die ze verafgoodde.

Vertalingen

Engelsgo down, go off, lose one's face
Fransdescendre, partir, chuter
Duitshinuntergehen, abgehen, sich blamieren
Spaansbajar, descender, dispararse