afdrager
mannelijk (de)/'ɑvdraɣər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iets tweedehands wat van mindere kwaliteit is; oorspronkelijk alleen voor kledingPackaging heet dat: Wie dezer dagen Arthur Japins historische roman Vaslav koopt, krijgt er het Dagboek van Vaslav Nijinski bij. Voor amper 24,95 euro. Mooi cadeautje van uitgeverij De Arbeiderspers: het succesboek en de inspiratiebron in één pakket. Al is het extraatje meer een afdragertje. De Standaard 11 MAART 2011 (jap) [http://www.standaard.be/cnt/7t377mfa Helemaal alleen in Berlijn]
- (belasting) betalerHet vertrek van de bankiers is een relatief kleine aderlating, maar de derving van belastinginkomsten van de grotere afdragers van taks zou er bij de Britse schatkist in hakken. De Telegraaf DFT 08 mei 2017 [https://www.telegraaf.nl/nieuws/1349409/banken-9000-banen-uit-city Banken: 9000 banen uit City]
- bij een steenbakkerij iemand die kleivormen ledigtDe bouwers wonen zelf niet in de Rupelstreek. Toch verloren ze geen enkel detail uit het oog. Je ziet de weiden en bossen die verdwijnen voor de kleiwinning, het vervoer van de klei per spoor, hardwerkende steenbakkers en afdragers, het vervoer naar de droogloodsen met paard en kar. De Standaard 23 FEBRUARI 2007 [http://www.standaard.be/cnt/gmr18orne Ecomuseum pakt uit met imposante maquette]
Etymologie
* van afdragen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek