afdragen

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) door dragen afslijten
    Die kleren waren helemaal afgedragen.
  2. ov (ov) overdragen
    Hij moest veel geld aan de belasting afdragen.

Vertalingen

Engelswear out, turn over, hand over
Fransuser, finir, remettre
Duitsabtragen, abführen, abtragen
Spaansdesgastar, entregar, pagar