afbreker

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets kapot maakt of vernietigt
    ‘Hopelijk heeft de afbreker met deze bijdrage iets opgebouwd', schreef de aankomende burgemeester van Antwerpen op het einde van zijn essay ‘Afbreken om op te bouwen'. De Standaard 27 DECEMBER 2012 Peter Vantyghem [http://www.standaard.be/cnt/dmf20121226_00414933 De Wever kruist degens met kunstwereld]
    Peumans zou die journalist, néé: Guy, daar in de Schelp donderdag omschrijven als ‘niet anti, wel kritisch’. Het spoort met wat zijn ex-collega Rolf Falter ons vertelde: ‘Guy is geen afbreker, hij bouwt graag op.’ De Standaard 02 MEI 2015 Filip Rogiers, foto’s Fred Debrock [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150429_01656656 ‘Je moet ze nijpen, niet dooddoen’]
    De welvaartsstaat doet denken aan mijn vorige functie bij Voka. We werden in de hoek van de afbrekers gezet, terwijl ik de welvaartsstaat net beschouw als de hoogste uiting van humanisme. De Standaard 13 JUNI 2015 Michiel Leen [http://www.standaard.be/cnt/dmf20150612_01728650 Het dilemma]

Etymologie

* van afbreken

Vertalingen

Engelscut-off man, reducer, decomposer