afbouwen

/ˈɑvbɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. zorgen dat je de bouw van iets voltooit en dus het bouwen stopt
    De Rotterdamse babyboomers zijn opgegroeid en bejaard geworden in een stad die nooit leek af te komen. Maar nu lijkt de wederopbouw toch ten einde te zijn gekomen komen en zijn we aan de afbouw begonnen. Dit jaar werd onder de titel Rotterdam viert de stad 75 jaar van wederopbouw herdacht en gevierd. Om het feest luister bij te zetten werd tegen de gevel van het Groothandelsgebouw een trap van steigerstaal en hout gebouwd. Heerlijk toch. Na driekwart eeuw van klimmen en klauteren door de wederopbouwstad nog één keer de trap der trappen op en af.
  2. verminderen totdat iets weg is, ergens geleidelijk mee stoppen
    De Energieagenda schetst het afbouwen van het gasverbruik in huishoudens, de overgang naar elektrisch rijden en tal van andere maatregele {{sic!|maatregelen

Etymologie

**[2] leenvertaling van "abbauen"