administratie

vrouwelijk (de)/ˌɑtminɪsˈtra(t)si/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bedrijfskunde (bedrijfskunde) de plaats waar gegevens zorgvuldig worden vastgelegd zodat ze later terug te vinden of te controleren zijn
    Zijn inschrijving kon niet worden teruggevonden in de administratie.
    Dat zag Struycken honderd jaar geleden al in: Voor hem, die aan de rechtsstaatsgedachte een breederen inhoud geeft, - als alle eischen omvattend voor eene wettige en behoorlijke administratie te stellen, - voor hem vooral is het vraagstuk, die eischen in de rechtsvoorschriften te verwezenlijken van gelijke aard en gelijke beteekenis als het zoeken naar gerechtigheid in de administratieve besluiten.
  2. bedrijfskunde (bedrijfskunde) beherend orgaan van een instantie inclusief de administratieve stukken en de personen die hiervoor gaan
    Tarieven zijn op te vragen bij de administratie.
    Wat automatisch inhield dat hier bepaalde documenten lagen. Bij de administratie of ergens in een archief, dat was haar om het even.
  3. politiek (politiek) beheer of bestuur door een overheid
    Er kan niet redelijk aan getwijfeld worden, dat de locale administratie en rechtspraak in de Nederlanden steeds in de volkstaal afgehandeld werd. Daarvan is echter tot in de 11de en zelfs 12de eeuw zelden iets neergeschreven, en dan steeds in het Latijn.
  4. politiek (politiek) regering (van de Verenigde Staten)

Etymologie

*[4] Leenvertaling van Engels "administration".

Vertalingen

Engelsrecords, accounts, administration
Fransdocuments, administration
DuitsVerwaltung
Spaansadministración, administración
Italiaansamministrazione
Poolsadministracja