abri

mannelijk (de)/abri/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) een wachthuisje bij een halte van het openbaar vervoer
    Hij schuilde in een abri tegen de motregen.
  2. woning onder een overhangende rots

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Fransabri
DuitsWartehäuschen