abrikoos
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˌabriˈkos/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (fruit) vrucht van de boomAbrikozen smaken heerlijk door de yoghurt.
- (bloemplanten) bepaald soort boom, . Er bestaan soortkruisingen tussen de abrikoos en de Japanse pruim. Deze soortkruisingen kregen namen als plumcot, aprium en pluotAan de abrikoos zaten veel abrikozen.
Etymologie
*van "abricots" (abrikozen) dat geïnterpreteerd is als een enkelvoudige vorm, in de betekenis van ‘vrucht’ aangetroffen vanaf 1625
Vertalingen
Engelsapricot
Fransabricot, abricotier
DuitsAprikose
Spaansalbaricoque, chabacano, damasco
Italiaansalbicocca
Portugeesabricó
Russischабрикос
Chinees杏, 杏子, 杏實
Japans杏子
Koreaans살구
Arabischمشمش
Turkskayısı, zerdali
Poolsmorela
Zweedsaprikos
Deensabrikos
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek