aanwippen

/ˈaɱwɪpə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. erga (erga) kort bezoeken
    Toen ze toch in de buurt waren kwamen ze even aanwippen.
    Kun je ermee leven als ik een halfuurtje bij Heleen aanwip? Die meid heeft het niet makkelijk en zit ook maar in d’r eentje.