aanwaaien

/ˈaɱwajə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) erheen waaien
    De wind waaide veel materiaal aan
    Ze rook uitlaatgassen en etensgeuren, maar ook een frissere lucht, die waarschijnlijk kwam aanwaaien vanuit zee.
  2. intr (intr) zonder moeite in iemands bezit raken

Uitdrukkingen

  • komen aanwaaien: onverwachts op bezoek komen