aanwijsstok

mannelijk (de)/ˈaɱwɛiˌstɔk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. stok waarmee men zaken kan aanwijzen op een schoolbord
    Een eeuw later brengt Sylvie Fabeck het staatje opnieuw tot leven. Met een subtiele streling van haar aanwijsstok trekt de gids van het Geuldalmuseum een kaarsrechte lijn over een maquette. ,,Het gebied werd uiteindelijk in drieën gesplitst. Nederland kreeg Moresnet, dat vanaf 1830 weer Belgisch werd. Met een zelfde beweging, maar dan oostelijker: ,,En Duitsland kreeg Preußisch-Moresnet, tegenwoordig Neu-Moresnet.Tubantia Dirk Wijnand de Jong 11-JANUARI-2017
    En waar dat tegenwoordig in het voortgezet onderwijs niet meer mag en kan, gaf Koops van 't Jagt, gewapend met een beamer en een aanwijsstok, gewoon ouderwets klassikaal les. Wel hield hij het net binnen de vijftig minuten, een lesuur dus.Tubantia 01-NOVEMBER-2007
    Je kon overal tikken voor krijgen, beweert hij. "We moesten ’s morgens altijd netjes twee-aan-twee in de rij staan. Stond je niet goed, dan kreeg je een lel."Jonker vertelt dat er klappen werden uitgedeeld - ook op de school van de Rekkense Inrichtingen - met een lat, een aanwijsstok, een knuppeltje of een Spaans rietje.Tubantia Lucien Baard 31-DECEMBER-2017