aanstrompelen

/ˈanstrɔmpələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. langzaam en moeizaam lopend naderen omdat de lopende persoon gebrekkig of vermoeid is
    De schietstoel van de F-5E en een stuk van de vleugel blijken dwars door het glas van de kas te zijn gekomen. „De schietstoel ligt bij ons in de tuin, de piloot kwam aanstrompelen.” Al vrij snel kwam de politie, zegt Vink. „Ik ben blij dat de piloot het overleefd heeft. (…)”