aanstoten
/ˈanstotə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) stoten tegenZe bleven maar giechelen en elkaar aanstoten.Ze wist nauwelijks welk station het was, maar sprong overeind en rende weg, rende het perron op en de trap af, een drukke straat op en daardoorheen, langs het ene en het andere huizenblok, voorbijgangers ontwijkend en aanstotend.
- (ov) klinken
Vertalingen
Engelsbump against, strike up against, clink
Duitsanstoßen
Spaanschocarse con, chocar, tintinear
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek