aanstellingsbrief

mannelijk (de)/ˈanstɛlɪŋzˌbrif/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. brief waarin staat dat iemand een bepaalde officiële functie bekleedt
    Onze overheid geeft helaas niet altijd het goede voorbeeld. Het Utrechtse provinciebestuur begaat stelselmatig snelheidsovertredingen en de boetes hiervoor werden, in tegenstelling tot hetgeen in de aanstellingsbrief van de chauffeurs stond, gewoon doorberekend aan de belastingbetaler.de Telegraaf 07 jan. 2014
    In de grote klassieke kamer lagen op het bureau voor hem stapels enveloppen. Met sollicitaties, was de inschatting die je dan maakte. De inhoud van het gesprek was nul en het aangeboden salaris drie keer nul. Toch waren we heel blij toen dagen later een aanstellingsbrief in de bus viel. Want we zochten het avontuur. En dat hebben we gekregen, wat heet.de Telegraaf SEM VAN BERKEL 29 nov. 2013