aanstelleritis
vrouwelijk (de)/ˌanstɛləˈritɪs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (informeel) aanstellerijDe voetballer werd geveld door een aanval van acute aanstelleritis.
Etymologie
*Ludiek bedoelde afleiding van aansteller of aanstellerij , aldus de suggestie wekkend dat het om een medische aandoening gaat
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek