aanstelleritis

vrouwelijk (de)/ˌanstɛləˈritɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. informeel (informeel) aanstellerij
    De voetballer werd geveld door een aanval van acute aanstelleritis.

Etymologie

*Ludiek bedoelde afleiding van aansteller of aanstellerij , aldus de suggestie wekkend dat het om een medische aandoening gaat