aanstaren

/ˈanstarə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) langdurig doordringend, aankijken
    Een man met een baard tegenover me zat me strak aan te staren; ik deed of ik het niet merkte.
    Dat wil zeggen... Albert had veel naar Cécile gekeken en na een tijdje had ze, omdat ze de hele tijd maar werd aangestaard, natuurlijk ontdekt dat hij bestond en op haar beurt naar hem gekeken. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Decoraties en meubelstukken uit ver van elkaar verwijderde tijdvakken hingen en stonden elkaar met verwondering aan te staren.

Vertalingen

Engelsstare
Fransregarder fixement
Duitsanstarren
Spaansmirar fijamente