aanstaande

mannelijk/vrouwelijk (de)/anˈstandə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verloofde
    Hij wou graag met zijn aanstaande op vakantie.
    Wij gaan aanstaande zondag naar Deventer om de wedstrijd te zien.
    Aangezien de tweeling vrijdagavond steevast bloednerveus werd vanwege de aanstaande cadeautjes en het partijtje, sliep niemand die nacht fatsoenlijk.