aanspreken

/ˈansprekə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) toespreken
    De verlegen man durfde het mooie meisje niet aan te spreken op het feeestje.
    Dat hij hen in het Nederlands had aangesproken, vond zij verre van indrukwekkend.
  2. ov (ov) instemming of weerklank wekken
    Hoewel het misschien heel goede plannen waren, het sprak de meeste mensen niet aan.
    Oscar noch hijzelf was erg onder de indruk van dit soort wijsheden, economische speculaties hadden hen nooit aangesproken.
    Een bezoek bij Hilde is als twee dagen vakantie aan de Oostzee, zei hij altijd, en hij had de indruk dat zijn temperamentvolle complimenten haar wel aanspraken.
  3. ov (ov) verantwoording of opheldering vragen
    Ik sprak de vernielzuchtige jongeren aan op hun gedrag, maar ze voelden zich niet verantwoordelijk voor de schade die zij hadden veroorzaakt.
    Als iemand hen erop aansprak, zou hij wel een excuus verzinnen.
  4. ov, juridisch (ov) (juridisch) om genoegdoening vragen
    De buren hebben mij aangesproken voor de schade aan het hek, maar die werd gelukkig betaald via de aansprakelijkheidsverzekering.
  5. ov (ov) beginnen uit de voorraad te gebruiken
    Er waren geen geopende melkpakken meer dus sprak ik een nieuw pak aan.
    Haar neus ligt bijna op de stuurpen als ze de laatste krachten in het geteisterde gestel aanspreekt.

Uitdrukkingen

  • in rechte aanspreken: voor het gerecht dagen

Vertalingen

Spaansdirigir la palabra a, dirigirse a, apelar al sentimiento