aanspraak
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈansprak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderenHij maakte aanspraak op het recht van overpad.
- de gelegenheid om te pratenDe eenzame oude vrouw had behoefte aan wat aanspraak.De kinderen hadden meer dan genoeg aanspraak met alle hippies om zich heen en leken volop te genieten van het avontuur.
Vertalingen
Engelsclaim, claim
Fransprétention, revendication, revendiquer
DuitsAnspruch, in Anspruch nehmen, beanspruchen
Spaansreclamación, reivindicar, reclamar
Italiaansdiscorso, reclamare, pretendere
Deenskrav, kræve
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek