aanspraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈansprak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderen
    Hij maakte aanspraak op het recht van overpad.
  2. de gelegenheid om te praten
    De eenzame oude vrouw had behoefte aan wat aanspraak.
    De kinderen hadden meer dan genoeg aanspraak met alle hippies om zich heen en leken volop te genieten van het avontuur.

Vertalingen

Engelsclaim, claim
Fransprétention, revendication, revendiquer
DuitsAnspruch, in Anspruch nehmen, beanspruchen
Spaansreclamación, reivindicar, reclamar
Italiaansdiscorso, reclamare, pretendere
Deenskrav, kræve