aanspelen
/ˈanspelə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) bij voetballen of een ander spel naar een medespeler spelenTheo van Duivenbode speelde in de jaren zestig ruim vier seizoenen als linksback achter Keizer. „Hij was de man van de schaar. Alle tegenstanders wisten het, en toch stonden ze machteloos. Been over de bal, net doen of je naar binnen gaat, aan de buitenkant erlangs. En dan volgde een voorzet op maat.” Geen meevoetballende linksbuiten of een man voor de dieptepass, aldus Van Duivenbode: „Piet ging niet 50 meter naar achter als we onder druk stonden. En je moest hem in de voeten aanspelen, niet in de ruimte.”NRC Menno de Galan 13 februari 2017
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek