aansluiten
/ˈanslœytə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) op elkaar volgenDe trein en de bus sloten goed op elkaar aan.Dolgelukkig sloot ik achter aan in de rij.
- (ov) een verbinding tot stand brengenHij sloot zijn nieuwe computer aan op het netwerk.
- passend makenDie tafel sluit niet goed aan bij het aanrecht.
- (refl) zich ~: bij een groep of organisatie gaan behorenHij sloot zich aan bij de nieuwe politieke partij.Ik besloot mijn tempo op te schroeven, in de hoop andere hikers in te halen en me bij hen aan te sluiten.Toen begon iemand te applaudisseren en op Lauritz en grootmoeder Maren Kristine na sloot iedereen er zich bij aan.
- (refl) zich ~: bevestigen wat een eerdere spreker gezegd heeftMag ik mij daarbij aansluiten?
Uitdrukkingen
- aangesloten zijn: telefoon hebben
Vertalingen
Engelsjoin
Spaansempalmar, corresponder, conexionar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek