aanschouwer
mannelijk (de)/anˈsxɑuwər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- persoon die iets waarneemt zonder zelf deel uit te maken van de handelingOp dezelfde manier kan een zenboeddhistische kom, waarvan vorm en ontwerp zinspelen op bescheidenheid, waardige eenvoud en welwillende aanvaarding van onvolmaaktheid, de aanschouwer terugbrengen naar de grondbeginselen van de zenleer.
Etymologie
*afgeleid van "aanschouwen"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek