aanschouwen

/anˈsxɑuwə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, formeel (ov) (formeel) zien, gadeslaan
    Hij aanschouwde zichzelf en zijn vrouw in de grote spiegel.
    „Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.”
    Hij had in de loop der jaren honderden van dit soort kinderachtige spelletjes moeten aanschouwen.
  2. ten aanschouwen van: in tegenwoordigheid van

Vertalingen

Spaansver, contemplar, observar