aanschouwen
/anˈsxɑuwə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) (formeel) zien, gadeslaanHij aanschouwde zichzelf en zijn vrouw in de grote spiegel.„Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.”Hij had in de loop der jaren honderden van dit soort kinderachtige spelletjes moeten aanschouwen.
- ten aanschouwen van: in tegenwoordigheid van
Vertalingen
Spaansver, contemplar, observar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek