aanschellen
Betekenis
werkwoord
- aanbellen met de huisdeurbel om binnen gelaten te worden' 'Nou waar ik woon wéét je, he?' 'Boven die koekebakker, he?' 'Ja, je zag me toch aanschellen? Nou daar.' De trapdeur was dicht, zeker voor de kou, en hij moest aanschellen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek