aanrander
mannelijk (de)/ˈanrɑndər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verouderd) een aanvallerMen zegt dat de Ridder Gilbert Eliot, die het ongeluk gehad heeft, den Lt. Colond Stewart in Schotland dood te steeken, herwaards op weg is, om zich voor den Koning neder te werpen en zyn Majt. Pardon te smeeken, zynde de Wetten van Schotland zoo streng, dat er geen onderscheid gemaakt word tusschen den Aanrander en den Verweerder, tusschen een voorbedagte Moord en een gedwongen Manslag;Een der Kamerbewaarderen van ’s Konings Kamer dezer dagen te Compiegne door een Commissaris van de Marine tot vegten genoodzaakt wordende, ontfing de laatste een steek van den Degen , die hem het leven koste; doch de Koning, verstaande dat de Commissaris de aanrander was geweest, heeft den Kamerbewaarder terstond gepardonneerd.
- (20e eeuw) ook een persoon, in de regel van het mannelijke geslacht die iemand anders (een vrouw) aanvalt om seksuele redenenGister-avond werd in de Groene Hillelaan te Rotterdam een 20-jarig meisje door een onbekend persoon aangerand. Op haar hulpgeroep nam de aanrander de vlucht. Later is op grond van het door het meisje opgegeven signalement aangehouden en ter beschikking van de zedenpolitie gesteld de bootwerker C. d. M.
- (verouderd) een aantaster, schender (van de neutraliteit, eer)dat de 4 schepen van het door de Minister beoogde type in vereeniging met de reeds gebouwde in aanbouw zijnde torpedojagers een macht zullen vormen, welke in staat zal zijn den aanrander van onze neutraliteit ontzag in te boezemen, hem althans zal noodzaken met aanzienlijke middelen, zoowel wat het materieel als wat het personeel aangaat, tegen ons op te treden.
Etymologie
*afgeleid van aanranden
Vertalingen
Engelsassailant, assailant
Fransagresseur, agresseur
DuitsAngreifer, Vergewaltiger, Angreifer
Spaansagresor, agresor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek