aankoper

mannelijk (de)/ˈaŋkopər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die iets koopt
    De Zwitsers zouden vooral geïnteresseerd zijn geweest in belastinginspectie van de deelstaat Noordrijn-Westalen, de grootste aankoper van cd's, die sinds 2010 zeventien cd's kocht om Duitse belastingfraudeurs te ontmaskeren.Volkskrant Sterre Lindhout 5 mei 2017 [https://www.volkskrant.nl/buitenland/duitse-rel-illegale-informatie-belastingontduiking-en-een-oud-politieman-in-dienst-van-zwitsers~a4492770/ Duitse rel: illegale informatie, belastingontduiking en een oud-politieman in dienst van Zwitsers ]
    Vorig jaar kwamen de aankopers het Franse apenorkest op het spoor. Het was door een particulier ter veiling aangeboden, maar verkeerde in zeer slechte staat. De apen waren in vodden gehuld, het orgel knarste. Het museum sloeg toe en bracht het apentrio als nieuwe eigenaar naar de werkplaats voor langdurige restauratie.Volkskrant Robert van Gijssel 25 februari 2010 [https://www.volkskrant.nl/archief/apenorkest-treedt-weer-op~a978405/ Apenorkest treedt weer op ]

Etymologie

* van aankopen

Vertalingen

Engelsbuyer, purchaser