aanbreken
/ˈambrɛkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets voor het eerst openenWe hebben de andere voorraad nog niet aangebroken.We hebben een nieuwe fles wijn aangebroken.
- (erga) beginnen van een tijdperk (alleen gangbaar in de derde persoon)Een nieuw tijdperk breekt nu aan.De vakantie is aangebroken.' 'Waarheen?' 'Een paar eendenjagers uit West-Virginia hebben tegen het aanbreken van de dag in de Elk River een lijk gevonden.
Vertalingen
Engelsdawn, break
Franslever
Duitsanbrechen
Spaansabrir, amanecer, empezar
Italiaanssorgere
Portugeesamanhecer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek