Zicht

onzijdig (het)/zɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de afstand die je kunt kijken door de lucht
    Vanaf het balkon hebben we vrij zicht op het haventerrein.
  2. gezichtsvermogen
    Hopelijk kon ik nog wel wat zien, anders was ik behalve mijn spraak ook nog mijn zicht kwijt.
  3. in het zicht: dat wat men kan zien, zichtbaar
  4. uit het zicht: dat wat men niet kan zien, onzichtbaar
    ' In de la balde Teresa, uit het zicht van haar mevrouw, haar vuisten om de satijnen hemdjes heen.
    'we zouden nu wel een foto voor Peggy Guggenheim kunnen maken,' zei Olive toen de auto uit het zicht verdween.
    Winkeliers moeten extra tijd krijgen om sigaretten en tabakswaar uit het zicht te laten verdwijnen. Regeringspartij VVD wil dat staatssecretaris Blokhuis van Volksgezondheid meer tijd neemt voor dit deel van zijn anti-rookplannen.
  5. figuurlijk (figuurlijk) zicht hebben op: dat wat men kan begrijpen
zelfstandig naamwoord
  1. landbouw, gereedschap (landbouw), (gereedschap) kleine zeis
    Gras maait men met de zeis, haver met een zicht.

Etymologie

* [B] In de betekenis van ‘soort zeis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350. Middelnederlands sichte, ontwikkeld uit Oergermaans *segiþō- ~ *segiþia, afleiding van *seg- ‘snijden’ (waarvoor zie zaag, zegge). Evenals Nederduits Sicht ‘sikkel’, Engels scythe ‘zeis’ en IJslands sigð ‘sikkel’.

Vertalingen

Engelsvisibility, view, sight
Fransvisibilité
DuitsSicht
Spaansvisibilidad, vista, hocete