Winterkoning
mannelijk (de)/ˈwɪntərˌkonɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) klein gedrongen vogeltje met opgewipt staartje,Lyrisch verhaalt Moss over het bijzondere, bolvormige nest van de winterkoning en over zijn grote eetlust (de vogel eet per dag tot de helft van zijn eigen lichaamsgewicht – „voor een volwassen man het equivalent van dagelijks 100 tot 200 Big Macs”).
Etymologie
*van Middelnederlands "winterconinc", in de betekenis zangvogel aangetroffen vanaf 1477; op te vatten als , een verwijzing naar een oude fabel De koning der vogels
Vertalingen
Engelswren
Franstroglodyte mignon
DuitsZaunkönig
Spaanstroglodito, chochín
Italiaansscricciolo
Portugeescarriça
Russischкрапивник
Chinees鹪鹩
Arabischسكسوكة
Poolsstrzyżyk
Zweedsgärdsmyg
Deensgærdesmutte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek