Winter

mannelijk (de)/ˈwɪntər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vierde van de vier seizoenen: op het noordelijk halfrond van 21 december tot 20 maart, op het zuidelijk halfrond van 21 juni tot 20 september
    Zou hij hier in de winter zijn geweest? Het zou kunnen; nu Nella dwars door de boomgaard heen loopt, kan ze het zich niet meer herinneren.
    Een geliefde vakantiestad voor skiërs in de winter en watersportliefhebbers in de zomer.

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands """ van Oudnederlands """, in de betekenis van ‘jaargetijde’ voor het eerst aangetroffen in 1050De verdere herkomst is onzeker. Het woord wordt wel in verband gebracht met water of met het "finn" "wit", het natte of witte jaargetijde dus.

Uitdrukkingen

  • Eén bonte kraai maakt nog geen winterStoett-1265 [http://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01 www.dbnl.org]

Vertalingen

Engelswinter
Franshiver
DuitsWinter
Spaansinvierno
Italiaansinverno
Portugeesinverno
Russischзима
Chinees冬天, 冬季
Japans冬, ふゆ
Koreaans겨울
Arabischشتاء
Turkskış
Poolszima
Zweedsvinter
Deensvinter