Vink

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zangvogels (zangvogels) , een zangvogel
  2. V-tje waarmee men na iets gecontroleerd te hebben 'afvinkt'

Etymologie

* In de betekenis van ‘zangvogel’ voor het eerst aangetroffen in 1270

Vertalingen

Engelsfinch, chaffinch
Franspinson
DuitsBuchfink
Spaanspinzón
Italiaansfringuello
Russischзяблик
Chinees苍头燕雀
Japansズアオアトリ
Koreaans푸른머리되새
Arabischحسون الظالم
Turksbayağı ispinoz
Poolszięba zwyczajna
Zweedsfink
Deensfinke