Vijzel

mannelijk (de)/ˈvɛizəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheikunde, gereedschap (scheikunde), (gereedschap) vat waarin met een stamper stoffen fijngestampt kunnen worden
    Vijzels worden van hard materiaal zoals messing, porselein of agaat vervaardigd.
zelfstandig naamwoord
  1. bouwkunde, techniek (bouwkunde) (techniek) dommekracht of krik waarmee door middel van een schroef- of hydraulisch systeem, grote kracht kan worden uitgeoefend.
    Met behulp van een groot aantal vijzels is het gebouw opgevijzeld.
  2. waterbeheer, techniek (waterbeheer) (techniek) waterschroef, een spiraalvormig onderdeel van een gemaal
    Een ronddraaiende vijzel werkt het water omhoog.

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "visele", in de betekenis van ‘windas’ aangetroffen vanaf 1465

Uitdrukkingen

  • hydraulische cilinder
  • schroef van Archimedes

Vertalingen

Engelsmortar, jackscrew, screwpump
Fransmortier, cric, vis d'Archimède
DuitsMörser, Spindelwinde, Wasserschraube
Spaansmortero, almirez, cric