T-splitsing

vrouwelijk (de)/ˈtesplɪtsɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) driesprong waarbij twee armen in elkaars verlengde liggen, waar de derde arm loodrecht op staat
    De pastoorszoon uit Mierlo fietst op zijn gemakkie tweehonderd kilometer rond de kerk, maar zo gauw hij op een T-splitsing rechts of links moet en zijn ouderlijk huis niet meer kan zien, raakt hij in de war.