Streek

mannelijk/vrouwelijk (de)/strek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aardrijkskunde (aardrijkskunde) een gebied met een eigen karakter, een landstreek
    Deze streek is bekend om zijn bollenteelt.
    Dit is het Carcari Natural Reserve, een beschermd bosgebied en daarmee een zeldzaamheid in deze streek.
    Ten slotte kwam hij in een rotsachtige streek, waar hij plotseling de fluit van een herdersjongen hoorde.
  2. deel van een entiteit (bijv. anatomisch) met specifieke eigenschappen (-> bilstreek, hartstreek, maagstreek, kompasstreek)
  3. een handeling die handig maar niet helemaal netjes of beleefd is
    Wat een gemene streek is dat!
    Ze hadden veel aandacht en indirecte steun in de rechtse pers gekregen voor al hun streken voor de verkiezingen.
  4. een veeg of streep met een werktuig
    Met een paar streken zette de kunstenaar een goedgelijkende afbeelding op het doek.

Etymologie

* van strijken

Uitdrukkingen

  • uit zuidelijker streken
  • iemand van streek makeniemand onzeker maken
  • een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken

Vertalingen

Engelsregion, trick, stroke
Franstour
DuitsGefilde, Region
Spaansregión, comarca, zona