Speek

mannelijk/vrouwelijk (de)/spek/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dun, staafvormig stuk metaal dat de verbinding vormt tussen velg en as van een wiel
  2. staaf metaal in het algemeen, zoals die bijvoorbeeld als hefboom kan worden gebruikt
zelfstandig naamwoord
  1. spreektaal (spreektaal) vocht dat in de mond wordt uitgescheiden en soms in kleine hoeveelheden wordt uitgespuugd

Etymologie

*[B] van Middelnederlands "speke", op te vatten als (verkorting) van "speeksel"