Specht
mannelijk (de)/spɛxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (spechtvogels) benaming voor middelgrote robuuste vogels behorende tot de familie die met hun sterke snavel de schors van de bomen openhakken om daaruit de insecten te halenWe hoorden een specht trommelen op een boom tijdens onze boswandeling.
- (scheldwoord) Spanjaard
Etymologie
* van Middelnederlands "specht"; in de betekenis van ‘spechtvogel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287
Vertalingen
Engelswoodpecker
Franspic
DuitsSpecht
Spaanspájaro carpintero
Italiaanspicchio
Portugeespica-pau
Russischдятел
Japans啄木鳥
Turksağaçkakan
Poolsdzięcioł
Zweedshackspett
Deensspætte
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek