Randstedeling
mannelijk (de)/ˈrɑntstedəˌlɪŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die in het dichtbevolkte deel van het westen van Nederland woontHij schudt zijn hoofd. 'De meeste inwoners zijn hier geboren en van de nieuwkomers weten we doorgaans weinig. Die bivakkeren hier hooguit een paar weken per jaar, en enkele weekends.'Hij haalt zijn schouders op. Randstedelingen, Duitsers ook.'In onze vallei zie je ook steeds meer tweede huizen. Het neemt de ziel van een gemeenschap weg, vind je niet?'Marjoleine de Vos over het beeld dat de Randstedeling heeft van Groningen. De aardbevingen hebben de provincie op de kaart gebracht.
Etymologie
*, geschreven met een hoofdletter volgens
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek