Praam

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (scheepvaart) een kleine schuit met platte bodem
    De praam behoort tot de oudste scheepstypes die bekend zijn, en komt al voor in de Romeinse tijd.
  2. paardrijden (paardrijden) een hulpmiddel in de vorm van een stuk hout en een lus die om de bovenlip aangebracht wordt om een paard rustig te houden
    Indien een paard angst heeft, bijvoorbeeld voor een te geven injectie wordt wel een praam gebruikt.

Etymologie

* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘schuit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1429

Vertalingen

Engelspram, twitch
DuitsFrachtkahn, Lastkahn, Nasenbremse
Zweedsbrems