Pol
mannelijk (de)/pɔl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) bundel van plantaardig materiaal inclusief aardkluit
Etymologie
* Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘graspol’ voor het eerst aangetroffen in 1764
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek